Twee geologische fenomenen van de Vulkaneifel op het spoor

De Eifel-vulkanen:
Voor het eerst waren ze ongeveer 45 tot 35 miljoen jaar geleden actief. Een tweede fase begon ongeveer een miljoen jaar geleden, deze eindigde met de meest recente uitbarsting, de Ulmener Maar, ca. 10.000 jaar geleden. In de Vulkaan-Eifel werden tot dusver 350 centra met uitbarstingen geteld, waarvan ongeveer 270 in de jongere fase.








Principieel zijn er twee soorten landvulkanen in de regio: kegelvulkanen en trechters van maaren.

Vulkaankegel

Wanneer magma uit het binnenste van de aarde opstijgt, kan zich al naargelang zijn samenstelling een zeer hoge druk opbouwen, die zich dan in grote explosies ontlaadt. Er worden lava, as, slakken en bij vermindering van de druk ook lavastromen uitgeslingerd.
Het geologische samenspel van deze sedimenten leidt in de loop van de tijd tot het ontstaan van de in de Eifel vaak voorkomende slakkenkegels en stratovulkanen.








Trechters van maaren

Stoot het magma bij het opstijgen op lagen waarin zich water bevindt, verdampt dit water meteen, massieve explosies zijn het gevolg. Het omringende gesteente wordt bij het contact uit elkaar gebroken, naar boven getransporteerd en uitgeslingerd. De opgeblazen explosiekamer valt in elkaar en er blijft een trechter aan het aardoppervlak over, omgeven door een ringvormige wal met het uitgeworpen materiaal - zo is een maar ontstaan. De in elkaar gezakte trechter kan zich met water vullen en een maar worden.
Maaren zijn het handelsmerk van de Vulkaneifel. Officieel zijn er 75, tien hiervan hebben een meer – de „ogen van de Eifel“. In vele andere trechters hebben de meren zich na het vullen met materiaal tot hoogveen met speciale plantensoorten verder ontwikkeld. Andere maaren hebben nooit een meer bevat of zijn door natuurlijke processen geëgaliseerd en alleen nog als dieptes in de vorm van een sleutel te herkennen.








Flyer - De maaren van de Vulkaneifel en hun oorsprong



Een klik op de brochure zal u begeleiden naar een pdf-versie.